Op verzoek van de leden Luijben (SP), Omtzigt (CDA), Tang (PvdA), Van Beek (VVD), Van Dijck (PVV) en Van Gent (GL) informeer ik u nader over recente berichtgeving dat 20 pensioenfondsen een mogelijke kortingsmaatregel in hun herstelplan hebben opgenomen. Vooropgesteld moet worden dat de invulling van de herstelplannen de verantwoordelijkheid van pensioenfondsen zelf is. Zij bepalen welke aanvullende maatregelen zij in hun herstelplan willen opnemen. Op grond van artikel 134 Pensioenwet geldt daarbij als randvoorwaarde dat een pensioenfonds dat in onderdekking verkeert, pas korting van pensioenaanspraken en –uitkeringen als aanvullende maatregel kan inzetten, als alle overige sturingsmiddelen gericht op het herstel van de financiële positie, volledig zijn uitgeput. Korting is dus een allerlaatste redmiddel voor financieel herstel, maar daardoor niet minder noodzakelijk voor fondsen die van oordeel zijn dat alle andere aanvullende maatregelen reeds maximaal zijn ingezet. De bovengenoemde 20 fondsen, overigens allemaal kleinere fondsen, hebben een kortingsmaatregel in hun kortetermijnherstelplan opgenomen, omdat zij op grond van hun dekkingsgraad ultimo 2008, en hun ingeschatte herstelvermogen, op dit moment niet in staat zijn om zelfs binnen de verlengde hersteltermijn van 5 jaar aan de wettelijk vereiste minimale dekkingsgraad van 105 procent te voldoen. Het feit dat voornoemde 20 fondsen een kortingsmaatregel in hun herstelplan hebben opgenomen, wil echter geenszins zeggen dat deze fondsen ook daadwerkelijk tot korting zullen overgaan. Op grond van de ministeriële regeling van 25 mei 2009 (Stcrt. 2009, nr. 96) hoeven pensioenfondsen een kortingsmaatregel niet vóór 1 april 2012 te effectueren, tenzij uit de tussentijdse evaluatie per uiterlijk juli 2010 zou blijken dat dit uitstel in het licht van de dan geldende omstandigheden niet langer gerechtvaardigd is. Ook dan zal echter alleen sprake van korting kunnen zijn als op dat moment de financiële positie van het pensioenfonds onvoldoende is hersteld, omdat andere aanvullende maatregelen en de ontwikkeling van de financieel-economische omstandigheden blijkbaar tot onvoldoende herstel van de feitelijke dekkingsgraad hebben geleid. In die omstandigheden zou een nog langer uitstel van korting van pensioenaanspraken en –uitkeringen onverantwoord kunnen zijn, omdat daarmee de belangen van bepaalde bij het pensioenfonds betrokken partijen onevenredig zouden worden geschaad.
Wat betreft het verzoek van de heer Omtzigt om de herstelplannen openbaar te maken, wil ik er nog op wijzen dat deze informatie bij de pensioenfondsen zelf opvraagbaar is voor belanghebbenden. De Autoriteit Financiële Markten ziet toe op de naleving van deze informatieplicht op grond van artikel 9 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling. De wettelijke geheimhoudingsplicht staat het De Nederlandsche Bank niet toe om mij rechtstreeks informatie over specifieke pensioenfondsen te verstrekken, die in het kader van haar toezichtstaak zijn verkregen. Wel kan op basis van een eerste beoordeling door De Nederlandsche Bank van de in totaal 342 ingediende herstelplannen een algemeen beeld worden gegeven.
Naast de 20 fondsen die in hun herstelplan een kortingsmaatregel hebben opgenomen, zijn er bijna 60 fondsen, waarbij de werkgever een aanvullende storting in het fonds doet. Daarnaast is aan een kleine 10 fondsen een achtergestelde lening door de werkgever verstrekt. Bij vrijwel alle fondsen blijft de indexatie van pensioenaanspraken van actieven en van pensioenuitkeringen van gepensioneerden de komende jaren achterwege. Voor veel fondsen geldt dat het herstel van de dekkingsgraad voornamelijk moet worden gerealiseerd door het verwachte rendement op de beleggingen.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.P.H. Donner Pagina
Filed under: Consulting, Informatie, Onderzoek, Pensioenadvies, Pensioenfonds, herstelplannen, pensioen